Kaneel
Kaneel is een warme, zoetkruidige specerij die wordt gemaakt van de gedroogde binnenbast van kaneelbomen. Je gebruikt het zowel in zoete klassiekers (appeltaart, rijstepap, koekjes) als in hartige gerechten zoals stoofpotten, tajines en curry’s.
Latijnse naam: Cinnamomum verum
Alternatieve soort: Cinnamomum cassia
Herkomst: Sri Lanka en Zuid-India (traditioneel)
Hoogte: 10–15 m (kaneelboom)
Levensduur: meerjarig
Beschrijving
Kaneel wordt gewonnen door de binnenbast van jonge scheuten te schillen en te drogen. Tijdens het drogen krult de bast op tot “stokjes” (ook wel pijpjes); gemalen kaneel is simpelweg fijngemalen bast. Ceylonkaneel (Cinnamomum verum) is doorgaans verfijnd en zacht aromatisch, terwijl cassia (Cinnamomum cassia) meestal krachtiger en iets scherper smaakt.
In de keuken
Kaneel geeft diepte en warmte aan gebak, desserts en warme dranken, maar doet ook veel in hartige bereidingen. Combineer het met appel, peer, pruim, chocolade, noten, honing en citrus. In hartige keukens past kaneel mooi bij lam, rund, pompoen, linzen en tomaat, zeker in combinatie met komijn, koriander, gember, kardemom, kruidnagel en steranijs. Kaneel is het hele jaar door verkrijgbaar.
Bewaren & bereiding
Bewaar kaneel luchtdicht, droog en donker. Kaneelstokjes behouden hun aroma vaak langer dan gemalen kaneel. Voor extra geur kun je een stokje kort kneuzen en mee laten trekken in saus, stoof of melk; haal het er voor het serveren uit. Gemalen kaneel voeg je bij voorkeur geleidelijk toe en proef tussendoor: een beetje maakt het rond, te veel kan snel overheersen.