Braam

Braam is een donkerpaars tot bijna zwart vruchtje met een volle, wijnachtige zoetheid en een licht fris zuurtje. Je eet bramen graag uit het vuistje, maar ze zijn ook ideaal voor compotes, jam, taarten, sauzen en siropen, en geven zowel zoete als hartige gerechten een diepe fruitsmaak.

Latijnse naam: Rubus fruticosus agg.
Herkomst: Europa en West-Azië
Plantfamilie: Rosaceae (rozenfamilie)
Hoogte: 1–3 m
Bloeiperiode: juni–augustus
Levensduur: meerjarig

Beschrijving

De braam groeit aan een vaak stekelige struik die lange, boogvormige scheuten maakt en zich makkelijk door hagen en bosranden slingert. De vrucht bestaat uit veel kleine deelvruchtjes die samen één braam vormen. Onrijpe bramen zijn stevig en rood tot paars, maar pas echt rijp wanneer ze diep donker kleuren en bijna vanzelf loslaten. Door hun hogere sap- en kleurstofgehalte geven bramen snel kleur aan alles wat je ermee maakt.

In de keuken

Bramen smaken rijk en rond, met een licht tannine-achtig accent dat doet denken aan donker fruit. Ze combineren mooi met vanille, kaneel, steranijs en citroen, maar ook met noten zoals hazelnoot en amandel. In hartige bereidingen passen ze goed bij wild, eend, varkensvlees en stevige kazen; een braamsaus met een scheutje balsamico of rode wijn werkt vaak verrassend elegant. Verwarm bramen kort voor een compote met bite, of laat ze langer sudderen voor jam. Ze bevatten relatief veel pitjes; voor een gladde coulis kun je de puree zeven.

Bewaren & bereiding

Bramen zijn kwetsbaar en houden niet van stapelen. Bewaar ze ongewassen in de koelkast, bij voorkeur uitgespreid in een ondiepe schaal, en gebruik ze binnen 1–2 dagen voor de beste smaak. Spoel ze pas vlak voor gebruik heel kort en voorzichtig en laat ze goed uitlekken. Invriezen gaat uitstekend: vries de bramen eerst los van elkaar aan op een schaal en doe ze daarna in een goed afsluitbare zak of doos. Bevroren bramen zijn perfect voor smoothies, compote, baksels en saus, al verliezen ze na ontdooien wat stevigheid.