Mandarijn

De mandarijn is een kleine, zoete citrusvrucht met een makkelijk te pellen schil en een frisse geur. Je eet ’m uit het vuistje, maar hij doet het ook verrassend goed in salades, desserts en hartige gerechten.

Latijnse naam: Citrus reticulata
Herkomst: Zuidoost-Azië

Beschrijving

Mandarijnen groeien aan een citrusboom en zijn meestal kleiner en iets platter dan sinaasappels. De schil laat vaak makkelijk los en binnenin zitten sappige partjes. Het aroma is zacht, bloemig en herkenbaar citrusfris.

In de keuken

Mandarijn is heerlijk als snack, in fruitsalades, compotes en gebak, maar ook in hartige combinaties zoals salades met venkel, biet of (gerookte) kip. Het sap werkt goed in dressings en marinades, en de rasp van de schil (alleen het oranje deel) geeft desserts en sauzen extra geur. Combineert mooi met yoghurt, chocolade, vanille, kaneel, gember, honing, munt en noten. Het seizoen ligt grofweg in de herfst en winter, maar de verkrijgbaarheid is vaak langer.

Bewaren & bereiding

Bewaar mandarijnen liefst koel, zodat ze langer stevig en sappig blijven. Op kamertemperatuur gaan ze sneller uitdrogen. Was de schil als je wilt raspen en gebruik bij voorkeur alleen het oranje deel (het witte merg kan bitter smaken). Gepelde partjes kun je afgedekt kort in de koelkast bewaren.