Mispel
Mispel is een oude fruitsoort met een uitgesproken karakter: friszuur, kruidig en een tikje tanninerijk wanneer hij nog stevig is. Pas na een korte periode van narijpen wordt het vruchtvlees zacht en mild zoet, waardoor mispel vooral geliefd is in gelei, jam en fruitcompote.
Latijnse naam: Mespilus germanica
Herkomst: Zuidoost-Europa en West-Azië
Plantfamilie: Rosaceae (rozenfamilie)
Levensduur: Meerjarig
Beschrijving
De mispel groeit aan een kleine boom of grote struik en is verwant aan appel en peer. De vruchten zijn klein tot middelgroot, bruinachtig van kleur en hebben aan de onderzijde een opvallende open kelk die als een stervormig kroontje zichtbaar blijft. Het vruchtvlees is stevig en wrang zolang de vrucht onrijp is. Na het narijpen – wanneer de schil wat donkerder wordt en de vrucht zacht aanvoelt – krijgt mispel zijn kenmerkende, bijna romige textuur en een smaak die doet denken aan appelmoes met een nootachtige, kruidige ondertoon.
In de keuken
Mispel wordt zelden direct van de boom gegeten; de vrucht komt het best tot zijn recht na narijpen of na verhitting. Het zachte vruchtvlees kun je uitlepelen en verwerken tot compote, puree of een vulling voor gebak. Door het natuurlijke pectinegehalte is mispel ook geschikt voor gelei en jam, vaak met een scheutje citroen voor extra frisheid. Klassieke smaakcombinaties zijn kaneel, kruidnagel, steranijs en vanille, maar ook appel, peer, kweepeer en noten sluiten mooi aan. In hartige toepassingen kan mispel een interessante tegenhanger zijn bij wild, paté of geroosterde varkens- en gevogelgerechten, bijvoorbeeld als chutney of zoetzure saus.
Bewaren & bereiding
Mispels worden meestal geoogst in de late herfst, vaak pas wanneer de eerste koude nachten zijn geweest. Laat ze vervolgens op een koele plek narijpen tot ze zacht worden; dan is het vruchtvlees makkelijk te gebruiken en is de wrangheid grotendeels verdwenen. Bewaar ze los of in een enkele laag en controleer regelmatig, omdat zachte vruchten sneller plekjes krijgen. Was mispels vlak voor gebruik. Snijd of breek de vrucht open, lepel het zachte vruchtvlees eruit en verwijder de pitten. Voor gelei of siroop kun je de vruchten in stukken meekoken en later zeven; voor compote kun je het vruchtvlees kort verwarmen met wat suiker of honing en specerijen naar smaak.