Rode kool
Rode kool is een stevige kool met paarsrode bladeren, een licht zoete smaak en een frisse, knapperige structuur. Je gebruikt ’m rauw in salades of gaar in klassieke wintergerechten, waarbij de kleur prachtig diep wordt.
Latijnse naam: Brassica oleracea (Capitata Group)
Herkomst: afgeleid van wilde kool uit Zuidwest-Europa
Hoogte: ca. 30–60 cm
Levensduur: tweejarig, meestal geteeld als eenjarig
Beschrijving
Rode kool vormt een compacte, ronde krop met stevig op elkaar liggende bladeren. De karakteristieke paarse kleur komt van anthocyanen: natuurlijke kleurstoffen die tijdens het koken kunnen verschuiven van rood naar blauwachtig, afhankelijk van de zuurgraad. Met een scheutje azijn of een zure appel behoud je doorgaans een mooi rode tint.
In de keuken
Rauw is rode kool knapperig en fris, met een mild-peperige ondertoon. Schaaf ’m flinterdun voor salade of coleslaw, bijvoorbeeld met appel, rozijnen en noten. Gaar wordt hij zachter en zoeter: klassiek gestoofd met appel, laurier, kruidnagel en een scheutje azijn. Rode kool past ook goed in roerbakgerechten, taco’s, bowls en als kleurrijke topping. In Nederland is rode kool vooral ruim verkrijgbaar van de herfst tot en met de winter.
Bewaren & bereiding
Bewaar een hele krop koel en donker; in de koelkast blijft hij vaak 1–2 weken goed. Aangesneden kool bewaar je luchtdicht en gebruik je bij voorkeur binnen een paar dagen. Voorbereiden: verwijder de buitenste bladeren, snijd in parten, haal de stronk weg en snijd of schaaf in fijne reepjes. Tip: wil je de kleur helder houden, voeg dan iets zuurs toe (zoals azijn of citroen) tijdens het koken. Rode kool kun je ook kort blancheren en invriezen.