Radijs, daikon, rettich en rammenas lijken op het eerste gezicht heel verschillend, maar behoren tot dezelfde familie. Ze delen een frisse tot pittige smaak en worden wereldwijd gebruikt in zowel eenvoudige als verfijnde gerechten. Van knapperige lentesalades tot ingelegde bijgerechten en robuuste winterkost: deze wortelgroenten zijn verrassend veelzijdig.
Aantal varianten: meerdere
Seizoen: jaarrond (piek per soort verschillend)
Gebruik: rauw, ingelegd, gekookt, gestoofd
Één familie, verschillende vormen
Radijs, daikon, rettich en rammenas zijn allemaal varianten van dezelfde plantensoort. Wat ze van elkaar onderscheidt, is vooral hun formaat, scherpte en de manier waarop ze traditioneel in de keuken worden gebruikt. Waar de ene fris en mild is, kan de andere juist krachtig en uitgesproken smaken.
Radijs
De bekende kleine rode of roze radijs is fris, sappig en licht pittig. Hij wordt vooral rauw gegeten, bijvoorbeeld in salades, op brood met boter en zout, of licht ingelegd. Door zijn korte groeicyclus is radijs typisch een lentegroente, maar hij is tegenwoordig vrijwel het hele jaar verkrijgbaar.
Daikon
Daikon is een grote, witte radijs met een milde, bijna zoete scherpte. Hij speelt een belangrijke rol in de Aziatische keuken, waar hij rauw, gekookt, gestoofd of ingelegd wordt gegeten. Door zijn sappige structuur neemt daikon smaken goed op, wat hem bijzonder geschikt maakt voor bijgerechten, soepen en lichte pickles.
Rettich
Rettich is de Europese tegenhanger van de daikon en komt vooral voor in de Duitse en Oostenrijkse keuken. Deze lange witte radijs is doorgaans iets pittiger en steviger van structuur dan daikon. Rettich wordt klassiek rauw gegeten, flinterdun geschaafd en licht gezouten, vaak als bijgerecht bij brood, boter en worst.
Rammenas
Rammenas is groter, robuuster en vaak pittiger dan de andere varianten. De bekendste soort heeft een zwarte schil met wit vruchtvlees. Rammenas wordt traditioneel gegeten in de herfst en winter, rauw geraspt met wat zout of azijn, of als onderdeel van stevige gerechten. De smaak is aardser en uitgesprokener.
Gebruik in de keuken
Alle varianten lenen zich voor eenvoudige bereidingen waarin hun frisse karakter centraal staat. Rauw zorgen ze voor bite en scherpte, ingelegd worden ze milder en aromatisch, en verwarmd verliezen ze een deel van hun pittigheid en krijgen ze een zachtere smaak.
- Rauw: dun gesneden of geraspt in salades en bijgerechten
- Ingelegd: kort of licht ingelegd met azijn en zout
- Warm: gekookt, gestoofd of meegebakken in gerechten